Leeslampje kinderkamer

De eerste lampen

Al zolang mensen in de historie zich bezig hielden met lezen zijn ze inventief geweest om manieren te vinden om ook te kunnen lezen en werken na zonsondergang.
Voor dat de gloeilamp en de daar weer uit ontstane leeslamp in gebruik werden genomen zijn andere voorwerpen in gebruik geweest. Zo gebruikten de Grieken kleilampen gevuld met olijfolie.

Olielamp

In andere streken werd er gebruik gemaakt van lampen met walvisolie en Amerikaanse pioniers gebruikten zogenaamde “knoplampen” gemaakt van botten en gevuld met vet. Veel later werd kerosine gebruikt als brandstof voor de lampen. In 1801 werd de Davy-lamp uitgevonden door Humphry Davy.
Deze lamp zorgden er voor dat mijnwerkers succesvol en veilig konden werken in de mijnen en bracht het risico op explosie tijdens het werken rond brandbare gassen terug.

Wie heeft de lamp uitgevonden?

Als je aan een iemand de vraag stelt: “wie heeft de lamp uitgevonden”, geven de meeste als antwoord “ Edison”. Toch klopt dit niet helemaal. Alvorens Thomas Alva Edison zijn lampen ging verkopen waren er ook al eerder lampen uitgevonden. Bijvoorbeeld door de Amerikaan van Duitse afkomst “Heinrich Göbel” en de Engelsman Joseph Swan. Edison en Swan vormden dan ook samen een “joint venture” met de toepasselijke naam “Ediswan”. Deze samenwerking was van korte duur.

De elektrische lamp

In het jaar 1879 werd er uiteindelijk een lamp met lange levensduur door Thomas Alva Edison uitgevonden. Deze gloeilamp kan worden beschouwd als de voorloper van onze huidige elektrische verlichting. Edison’s bedrijf, genaamd Edison Lamp Works, begon in 1881 met de massa productie van elektrische verlichting voor thuisgebruik.
Het verschil tussen de lampen van Edison en andere uitvinders was dus zoals gezegd, dat de lamp van Edison een gangbare levensduur had. De lampen van zijn mede-uitvinders branden gewoon te kort om ze te kunnen verkopen. De lamp van Edison was echter wel rijp voor de verkoop. Tevens ging Edison ook een eigen stroomvoorziening aanleggen voor de mensen die in het bezit waren van zijn gloeilampen. Dit aspect droeg natuurlijk enorm bij aan het commerciële succes van zijn gloeilamp en de opmars over de wereld.

Edison_eerstegloeilamp

Een duik in de geschiedenis, musea over de historie van de verlichting

Het is heden ten dage nog moeilijk te bedenken dat er ooit een tijd was dat er geen fatsoenlijke verlichting was die kon worden gebruikt nadat de zon was ondergegaan.
In het lampenmuseum in Brugge wordt de boeiende historie van de binnenhuisverlichting
tentoongesteld.Je krijgt een duidelijk beeld van de evolutie van fakkel en vetlamp tot gloeilamp en led. Als bezoeker ontdek je de grootste lampenverzameling ter wereld bestaande uit meer dan 6.000 antieke voorwerpen. In het museum Lumina Domestic, zoals het Brugse museum heet, kun je ook een gloeilamp zien met de merknaam “Ediswan” erop vermeld.
Een andere interessant museum is het Philips museum in Eindhoven met o.a. het thema: “elektrisch licht, een openbaring”
In de tentoonstelling kun je de ontwikkeling van het elektrisch licht volgen vanaf de eerste kooldraadlamp. Talrijke producten, prenten en posters illustreren de evolutie van de lamp, die decennialang het gezicht van Philips heeft bepaald.

Leeslampen voor de kinderkamer in de praktijk

Voor de meeste informatieverwerking moet je goed kunnen zien. Licht is dus van het grootste belang voor iedereen. Ook kinderen moeten goede verlichting hebben op hun slaapkamers. Een goede verlichting van de kinderkamer moet op het prioriteitenlijstje staan van iedere ouder.

Er zijn eigenlijk maar twee soorten licht: daglicht en kunstlicht. We hebben licht niet alleen nodig om te kunnen zien, maar we hebben licht ook nodig voor ons “welbevinden”. Goed licht is ook voor kinderen een voorwaarde om probleemloos te kunnen leven en werken.

Automatisering heeft het ons steeds moeilijker gemaakt omdat beeldschermwerk en licht twee zaken zijn die met elkaar in conflict kunnen komen. Ook onze kinderen maken tegenwoordig naast het lezen van boeken en tijdschriften veel gebruik van beeldschermen van computers.

Slechte-ogen-beeldschermwerk

Licht om te zien

Licht kun je weergeven (meten) in meeteenheden. De meest bekende lichteenheid is de lux-eenheid. Dit is de lichtinval op een bepaald object. Deze lichtinval komt van verschillende bronnen zoals bijvoorbeeld: de zon, een kaars, een lamp of een object dat het licht van ander lichtgevende bron reflecteert. Deze uitval van licht wordt gemeten in lumen. We krijgen al snel te maken met een probleem: dat een bepaald aantal uitgaande lumen van één lamp niet altijd de binnenkomende lux op één object bepaalt. Zonlicht (direct en/of weerkaatsend van een lichtoppervlak) verhoogt het luxgetal van lamplicht, daarbij is de afstand van de zon op een voorwerp speelt geen rol. De zon staat immers toch al ver weg, alhoewel er wel wat verschil bestaat tussen zomer en winter.
Doch een bij een lamp is de afstand naar het object wel van groot belang. Bijvoorbeeld als de afstand verdubbelt,  moet de lamp vier maal zoveel lumen geven om hetzelfde resultaat te bereiken. Dit geeft ook een probleem bij het op verschillende hoogten werken in een ruimte. Jij als vader of moeder die de vloer komt dweilen van de kinderkamer hebt op de vloerhoogte een ander lux-getal, dan een kind zittende op zijn stoel achter zijn bureaublad op circa 75 cm bureauhoogte, of een tiener staande  op een hoogte van circa 1.50 cm. Bij een goede verlichting voor de bureauhoogte wordt de luxwaarde voor het vloerdweilen waarschijnlijk te laag en voor de staand tiener waarschijnlijk te hoog.

Lichtbeleving

Opmerkelijk is het dat er een groot verschil in lichtbeleving tussen personen bestaat. Dit hangt namelijk af van iemands leeftijd: als een kind van 10 jaar bij een bepaalde lichtsterkte van de leeslamp kinderkamer uitstekend kan lezen (bijvoorbeeld 100 lux), heeft een 40-jarige drie maal (300 lux), een 50-jarige zes maal (600 lux) en een 60-jarige 15 maal (1.500 lux) nodig om met dezelfde inspanning te kunnen lezen.

Contrastverschillen

Als er negatieve reacties komen over het licht, dan gaat het met name dat er of te veel of te weinig licht is. Als het licht uit is, dan is er te weinig licht, dat is voor ons logisch. Lampen losdraaien uit een armatuur, omdat er veel licht is, is van een andere orde. Wanneer is er sprake van teveel licht? Is 600, 1000, 2000 lux te veel licht? De volle zomerzon kent een lux van 100.000. In de schaduw onder een mooie boom is het dan altijd nog sprake van 10.000 lux. Kun je dan nog een boek lezen onder die boom. Het antwoord weet je zelf waarschijnlijk en is “ ja”, zelfs met gemak.

Wat kunnen we hier nu mee? Het bovenstaande toont aan dat het probleem dus niet de lichthoeveelheid is, maar de contrasten die het soms oproept. Een zeer goed voorbeeld en voor ons allemaal herkenbaar is het frustrerende lichtcontrast van het groot-licht van een autolampen in de volledige duisternis van een landelijke omgeving zonder maar iets aan andere verlichting.
Zelfs als de lichtopbrengst van de autolampen nog nauwelijks op een luxmeter (= apparaat om de verlichtingssterkte te meten) te meten is, word je door het grote contrastverschil met de donkere omgeving gedwongen om je ogen bijna dicht doen. Het doet gewoon pijn aan je ogen.

Contrast-licht

Een zo’n groot contrastverschil kunnen wij als mensen niet onderdrukken. Wat kleinere contrastverschillen wel. Je zou kunnen zeggen dat daar ook het probleem zit. Wij zijn van nature in staat om verschillen in contrast te temperen en tijdelijk te negeren. Dit temperen brengt voor de ogen echter een grote inspanning mee. Er zijn dan ook maar weinig mensen waarbij dit zonder problemen langs hen heen gaat. Andere hebben er direct of later op de dag last van, in de vorm van hoofdpijn en vermoeidheidsverschijnselen.

Iets over contrastverhoudingen van verlichting

Als je uitgaat van het blikveld van de mens (135°, in horizontale en in verticale richting), kun je stellen dat ongeveer 30% daarvan valt in het directe zichtveld en 70% in het indirecte zichtveld valt. Een regel daarbij is, dat binnen die 30% van dat indirecte gezichtsveld het contrast in ieder geval niet groter zijn dan 1:3. mag zijn.

Voorbeeld van een groot contrastverschil

Daarbij mag bij het overige deel van het gezichtsveld de contrastverhouding niet groter zijn dan 1:10. Het is daarbij goed om te weten, dat het hierbij niet alleen gaat om direct licht, maar dat met name de weerkaatsing van licht een grote rol speelt. Een leeslamp die op het bureau staat met bijvoorbeeld een luxwaarde van 1.000 lux, wordt via een wit papier weerkaatst met ongeveer 75% en bijvoorbeeld via een zwart bureaublad met plusminus 5-10%. Hier zie je al een verhouding ontstaan, die ver boven de 1:3 gaat. Lampen met een gebundelde lichtstraal komen altijd boven een verhouding 1:10 uit. Natuurlijk erg leuk voor sfeerverlichting op een baby- of kinderkamer, maar slecht om te gebruiken als werkverlichting.

Tips

Heb letterlijk oog voor de contrastverschillen. Dit kan met meetapparatuur, maar het kan ook makkelijker en….goedkoper. Hoe dan? Sluit je ogen geheel en kijk door je oogharen naar de plek.
Als je het probleem dan onderkent, zul je de knelpunten snel zien. Een vanzelfsprekendheid, maar nog vaak verkeerd gehanteerd: zorg in ieder geval dat je nooit rechtstreeks tegen een lamp kijkt en let ook vooral op weerkaatsingen van licht. Een leeslamp kinderkamer dat in een beeldscherm weerkaatst, geeft ook de frustratie dat het contrastverschil groter is dan 1:3.

Zorg ervoor dat de meubelen op de kinderkamer zo staan opgesteld dat het dag-en kunstlicht elkaar ondersteunen en niet kruisen. Zorg ervoor dat het licht op een boek dat je kind op dat moment leest  of computer waar het op werkt in horizontale richting langs het gezichtsveld weerkaatst en niet in verticale richting indirect in de ogen schijnt van je kind. Ook hiervoor bestaat er een handig en goedkoop hulpmiddel door een spiegel op circa A-4 formaat te gebruiken. Deze spiegel leg je op het bureaublad,
werkblad en/of toetsenbord. Als je kind of jij daarin direct een lichtbron ziet spiegelen is de opstelling van de verlichting op de kinderkamer niet goed.

Nieuwe ontwikkelingen

Contrast2
Zoals in zoveel branches zijn er ook op het gebied van verlichting stormachtige ontwikkelingen te signaleren. Zo zijn al jarenlang geldende stellingen over gelijkmatigheid van licht en de hoeveelheid licht die een mens nodig heeft achterhaalt. De mens heeft sterke behoefte aan verandering en véél, heel véél licht. Uit betrouwbaar onderzoek blijkt dat de mens eerder 2.000-2.500 lux op zijn bureaublad of werkplek nodig heeft, dan de 200-800 lux  die vaak wordt geadviseerd, bij arbodiensten of nen-normering. Het grappige is dat uit dezelfde onderzoeken blijkt dat bij de luxwaarden 2.000-2.500 er ook geen problemen meer zijn met het leeftijdsverschil zoals eerder vermeld. Uit de onderzoeken kwam ook naar voren dat als het buiten lichter werd, het binnenlicht ook hoger gezet werd, om de contrastverschillen te reduceren. Tot nu toe sloten we ons af van buiten door de ramen te blinderen en zo het contrastverschil te elimineren. Maar dat buitengevoel hebben we als mens juist heel hard nodig. Onderzoeken naar depressiviteit hebben dit duidelijk aan het licht gebracht. Informatie over licht-en jetlag-therapieën staan momenteel in het middelpunt van de belangstelling. Bekijk alle kinderlampen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *